Aan de grote rechthoekige tafel tegen het raam zitten we. Buiten is het donker en de licht geweven gordijnen zijn half open. Wat we doen, weet ik niet meer. Eén van ons maakt een opmerking en we schieten alle drie in de lach. We hoeven elkaar maar aan te kijken en lachen weer. Het houdt niet op.

Opeens horen we hem lachen. Hij ligt op de bank iets achter ons, zijn arm onder zijn hoofd, zijn ogen twinkelend.

Lachen was ons toverwoord. Als we stil moesten zijn aan tafel, hoefde ik maar even te snuiven en mijn zusjes en ik lagen alweer in een deuk. We lachten om mijn vader die huppelde door de straat, terwijl hij dacht dat niemand hem zag. Met mijn moeder lachte ik om verhalen over leraren, verhalen die ik regelmatig mooier maakte dan ze waren.

Als blijkt dat mijn vader ongeneeslijk ziek is, zet dat mijn wereld op zijn kop. Vaders van vriendinnen gaan dood, niet die van mij. De engel gaat ons huis toch altijd voorbij?

De lockdown doet in ons huis zijn intrede. Van de één op de andere dag mogen we van mijn vader geen televisie meer kijken en we #blijven thuis. Hij zondert zich af van het leven en wij dus ook. De tijd lijkt stilgezet. We wachten op iets waarvan we niet weten hoe het eruit gaat zien. Boos word ik wanneer in de stad mensen vragen hoe het met mijn vader gaat. Onbedoeld zeggen ze dingen die iedereen altijd zegt, komen te dichtbij dat moeilijke dat ons te wachten staat.

Ik wil dat ze afstand houden, minstens anderhalve meter.

Langzaam verandert het wachten, het moeilijke lijkt nog niet op te komen dagen. En de maatregelen bij ons in huis versoepelen. Iedere avond neem ik in gedachten afscheid en iedere ochtend zie ik mijn vader weer. Het is onmogelijk om wanneer iemand nog leeft, je voor te stellen dat hij er niet meer zal zijn. Paniek overvalt me wanneer ik mezelf dwing daarover na te denken.

Als puber kan ik enorm piekeren. Gedachten komen steeds terug en nemen me lange tijd in beslag. Jaloers ben ik op klasgenoten die daar geen last van lijken te hebben. Onbezorgd en vrij. Ik wil dat ook, maar hoe ik het ook probeer, nare gedachten blijven me overvallen.

Gelukkig is mijn vader er. Ondanks zijn drukke baan praat hij met mij. Zittend in de auto en laat in de avond, wanneer ik niet kan slapen.  Zodra ik begin te praten, voel ik mijn zorgen minder worden. Het donkere gevoel wat me dagenlang in zijn greep heeft, verdwijnt. De aandacht van mijn vader zorgt ervoor dat ik me belangrijk voel. Hij verwisselt mij met niemand anders en luistert naar wat ik te zeggen heb. Opent zijn hart voor mij.Er ontstaat wederkerigheid in onze gesprekken op het moment dat mijn vader ziek wordt. We praten veel met elkaar. Zittend op de rand van zijn bed en laat in de avond, omdat we allebei niet kunnen slapen. Hij spreekt mij moed in en ik hem. Mijn leven kan ik me niet voorstellen zonder hem; deze gesprekken blijven mij bij en hechten zich diep in mijn hart.

De tijd gaat zich er weer mee bemoeien. We wachten op het onverwachte wat zich ieder moment kan voordoen. Mijn vader raakt af en toe los van de aarde, om vervolgens met een flinke dreun erop terug te storten. Op een warme dag in juni zien we dat het niet lang meer gaat duren. Het wachten is bijna gestopt en we weten niet waar we straks moeten beginnen.

Zonder veel woorden zorgen we die dag voor mijn vader. We aaien hem over zijn hoofd, strelen zijn handen en masseren zijn voeten.

Meer dan ooit realiseer ik me dat we op het moment dat hij sterft, dichtbij zijn.

Boos word ik wanneer mensen vragen hoe lang het ook alweer geleden is van mijn vader. Willen ze benadrukken dat mijn vader er niet meer is? Mijn hoofd weet dat hij niet meer leeft, mijn lijf voelt het anders. Ik hoor hem wanneer ik een serieus gesprek voer met mijn broer, ik zie zijn handen in de handen van mijn oudste zoon. Ik voel hem wanneer we onze moeder geruststellen en het niet voor elkaar krijgen. In de scherpte van mijn eigen weerwoord, ervaar ik zijn eigenwijzigheid.

Twee weken geleden kwamen mijn zusje en ik onverwacht ons jongste zusje tegen. Het was stil op straat, iedereen #blijft thuis. Wat er gebeurde weet ik niet meer, maar we schieten alle drie in de lach. Het houdt niet op.

Even is hij er weer, iets achter ons, zijn arm onder zijn hoofd, zijn ogen twinkelend.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *